Wat is de oorzaak?

Meer en meer wordt er onderzoek gedaan naar de oorzaken van genderdysforie. Er zijn ondertussen wetenschappelijke onderzoeken uitgevoerd die ons iets meer vertellen over de oorzaken ervan. De onderzoeken zijn echter nog karig en hopelijk gebeuren er in de nabije toekomst nog veel meer onderzoeken.

 

Dick Swaab, een Nederlands hersenonderzoeker (arts en neurobioloog), directeur van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek van deKoninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, is vooral bekend geworden door zijn onderzoek en ontdekkingen op het gebied van de hersenanatomie en -fysiologie, met name de invloed die allerlei hormonale en (bio)chemische factoren al in de baarmoeder op de hersenontwikkeling hebben. Op wetenschappelijk gebied is dr. Swaab een van de belangrijkste, en ook internationaal bekende Nederlandse onderzoekers, met veel publicaties, en die ook veel geciteerd wordt in wetenschappelijke en nog meer in lekenpublicaties.

 

Uit onderzoek van D. Swaab (2000) blijkt vooral het volgende: alles wijst erop dat genderproblemen ontstaan door een samenspel van een aantal factoren, waaronder genetische componenten (erfelijkheid). Dit zijn de voornaamste ontdekkingen uit het onderzoek van 2000:

 

  • Genetische factoren spelen een rol, zoals blijkt uit tweeling- en familieonderzoek (Coolidge et al., 2000: Green, 2000) Erfelijkheid kan dus de kans op genderproblemen veroorzaken.

  • Zeldzame chromosomale afwijkingen kunnen leiden tot transseksualiteit (Henningsson et al., 2005). Transseksualiteit is het gevoel hebben tot de andere sekse te behoren, waarbij al dan niet een geslachtsveranderende operatie plaats kan vinden. De chromosomen zijn de dragers van ons erfelijkheidsmateriaal en bevinden zich in de celkern. Zij bevatten de volledige genetische informatie die noodzakelijk is voor het ontwikkelen, in stand houden en voortplanten van een individu. Elke lichaamscel bevat normaal 46 chromosomen, die twee aan twee gelijk zijn. In totaal heeft iedere cel dus 23 chromosomenparen. Van elk paar is het ene chromosoom van de moeder afkomstig en het andere van de vader. Wanneer er hier dus een afwijking is, vergroot de kans op transseksualiteit.

  • Abnormale hormoonspiegels tijdens de vroege ontwikkeling van het kind kunnen een rol spelen, zoals blijkt uit de hoge frequentie van acne, weinig menstrueren en uitblijven van de menstruatie bij van vrouw-naar-mantransseksuelen. Dit wijst op een vroege én te hoge blootstelling aan testosteron; het mannelijke geslachtshormoon in de baarmoeder bij deze vrouwen.

  • De kans op transseksualiteit wordt ook verhoogd in het geval van congenitale bijnier hyperplasie (CAH). CAH is een ontwikkelingsstoornis waarbij door celvermeerdering weefsel of organen in omvang toenemen, waardoor het kind in de baarmoeder blootgesteld wordt aan te hoge spiegels testosteron. De kans op serieuze genderproblemen bedraagt hier 5%. Bij CAH wordt het kind dus ook blootgesteld aan de hoge dosis hormonen.

  • De kans op transseksualiteit stijgt ook bij kinderen van vrouwen die tijdens de zwangerschap wegens epilepsie Phenobarbital® of Diphantoïne-Z®  kregen. Beide stoffen veranderen het metabolisme (de stofwisseling) van de geslachtshormonen en kunnen zo op de seksuele differentiatie van de hersenen van het kind inwerken. In een groep van 243 vrouwen die tijdens de zwangerschap waren blootgesteld aan zulke stoffen vonden Dessens et al. (1999) 3 kinderen met transseksualiteit en nog een paar met minder vergaande genderproblemen. Dit zijn forse aantallen voor zo’n zeldzame stoornis: in feite wordt de kans zo’n 100 maal verhoogd.

Back to top